 |
Zweefvliegen: o.a. Syrphidae
Enkele veel voorkomende zweefvliegen waarvan de larven zich met een prooi voeden zijn: snorzweefvlieg (Episyrphus balteatus Degeer), bessenbandzweefvlieg (Syrphus ribesii L.), terrasjeskommazweefvlieg (Eupeodes corollae Fabricius), groot langlijfje (Sphaerophoria scripta L.) en gewone driehoekszweefvlieg (Melanostoma mellinum L.).
De zweefvlieg dankt haar naam aan het feit dat ze in de lucht kan blijven hangen en zich plots verplaatsen. |
| |
| Ei |
| De eitjes van de dubbelbandzweefvlieg zijn opvallend langgerekt, ± 2 mm, ovaal met netvormig patroon, wit tot grijs-wit. De vrouwtjes kunnen tot 1.000 eitjes leggen. De eitjes worden aan de onderkant van de bladeren afzonderlijk of in groep afgelegd in de nabijheid van hun prooi. |
| |
| Larve |
| Na het ontluiken begint de larve van de zweefvlieg zich direct met bladluizen te voeden. De pootloze, op slakjes gelijkende larven zijn 10-20 mm lang (maden). Ze zijn transparant waardoor de darminhoud zichtbaar is doorheen de larvehuid. |
| |
| Pop |
| De poppen zijn ± 7 mm, druppelvormig. De kleur varieert van soort tot soort (groen, beige, geel,…). In het begin zijn ze groenachtig gekleurd, later verkleurend naar oranjebruin. Net voor ontluiking is de adulte zweefvlieg duidelijk zichtbaar doorheen de pophuid. |
| |
| Adult |
| De zweefvlieg is 10-20 mm groot met roodgele antennen (kort en omlaag gericht) en een behaard voorhoofd. De opvallende achterlijftekening bestaat uit geel met zwarte banden waardoor ze dikwijls verward worden met bijen of wespen. Ze hebben 2 paar vliezige vleugels waarvan het achterste paar gereduceerd is tot halters (vleugelstompen). Bijen en wespen hebben daarentegen twee paar vleugels. |
|
 |
De zweefvliegen paren in het najaar en de vrouwtjes gaan vervolgens in diapauze om te overwinteren. Een groot deel zweefvliegen trekt in grote groep zuidelijker om te overwinteren. Een deel hiervan komt in het voorjaar terug. Adulten verschijnen vanaf maart.
Er kunnen tot 5 generaties voorkomen per jaar. De ontwikkelingsduur van ei, larve en pop duurt respectievelijk 3 tot 5 dagen, 8 tot 15 dagen en 7 tot 12 dagen. De levensduur van het adult duurt 27 tot 38 dagen (+ eventueel winterrust). |
|
 |
Niet alle zweefvlieglarven eten bladluizen, enkel de aphidofage zweefvliegsoorten. De larven van de andere soorten voeden zich met plantaardig of dood organisch materiaal.
Gedurende het larvaal stadium eet de dubbelbandzweefvlieg vele soorten en grote hoeveelheden bladluizen (tot 100 bladluizen per dag). Daarnaast kunnen mijten, rupsen en keverlarfjes ook tot hun prooi behoren. Ze zijn vooral actief tijdens de schemering. De vraatzucht van deze larven is o.a. afhankelijk van de temperatuur. De larven grijpen hun prooi vast met hun mondhaken, maken ze open en zuigen ze nadien leeg, waarna enkel de prooihuid overblijft. De larven van zweefvliegen zijn voornamelijk tijdens de schemering en ‘s nachts actief.
Tijdens het adulte stadium leeft de dubbelbandzweefvlieg van stuifmeel en nectar. Daarom is het nuttig bloeiende planten in de kwekerij te hebben staan. Hoe hoger het aantal beschikbare nectar en pollen, wat ze respectievelijk nodig hebben als energie- en eiwitbron, hoe meer eiafleg en hoe beter de bestrijding van bladluizen. Vrouwelijke adulten worden naar bladluispopulaties aangetrokken door de geur van honingdauw, afgescheiden door de bladluizen.
Vijanden: Mieren worden beschouwd als beschermers van bladluiskolonies. Zij kunnen dus ook de ontwikkeling van de larven van de zweefvlieg verstoren. |
|
|