| Synoniem: | Vruchtboomspint |
| Type: | Mijt |
|
| |
| Ei |
| De min of meer bolvormige wintereitjes zijn gemiddeld 0,13 mm in doorsnede en hebben een opvallende rode kleur. Op de top ontspruit een steeltje dat ongeveer 0,1 mm lang is. De wintereitjes worden afgezet op ruwe delen van de schors, langs de onderzijde van takken en in de takoksels, rond knoppen en bloemsporen en op de overgang van één- naar tweejarig hout. Bij een zeer grote aanwezigheid van fruitspinteitjes in de winter kan een rode waas op de takken waargenomen worden. Zomereitjes zijn iets kleiner en bleker van kleur. Ze worden gelegd aan de onderzijde van het blad, bij hoge aantallen soms ook aan de bovenzijde. |
| |
| Larve - Nimf |
| Tussen ei en adult doorloopt de mijt drie verschillende stadia (larve, protonimf en deutonimf) afgewisseld met telkens een rustfase. Tijdens deze rustfasen stopt de voedingsactiviteit en is er telkens een vervelling. Het eerste stadium is het larvaal stadium. De larven zijn iets groter dan de eitjes, ze zijn oranjerood van kleur en hebben slechts 3 paar poten. Na de eerste vervelling verandert de larve in een protonimf. Vanaf dit stadium hebben spintmijten 4 paar poten. Na de tweede vervelling, in het stadium van de deutonimf, worden de verschillen in geslacht merkbaar: de vrouwtjes worden groter en meer ovaalvormig. Vanaf dit stadium worden de witte vlekjes of puistjes op de rugzijde duidelijk zichtbaar. De kleur van larven en nimfen varieert van groenachtig tot rood. |
| |
| Adult |
| Het volwassen vrouwtje heeft een bolvormig lichaam, is 0,4 mm lang met een baksteenrode kleur en witte puistjes op de rug. Het volwassen mannetje is kleiner en heeft een smaller achterlijf. De kleurschakeringen van het mannetje zijn lichter in vergelijking met het vrouwtje. Ze variëren van geelachtig tot oranje met donkere vlekken. Adulten voeden zich net zoals nimfen aan de onderkant van bladeren. Enkel bij overbevolking zijn ze op de bovenkant van het blad terug te vinden. Als de dichtheden te hoog worden gaan ze postvatten op een hoog punt waarbij ze hun achterpoten verheffen om wind te vangen en meegevoerd te worden. |
|
| De schade wordt veroorzaakt door adulten en nimfen die aan de onderzijde van de bladeren cellen aanprikken en leegzuigen. In tegenstelling tot de bonenspintmijt (Tetranychus urticae) wordt er door de fruitspint geen uitgesproken web gevormd. Het meest typische symptoom is bronsverkleuring van de bladeren. Zware aantastingen kunnen leiden tot bladval. |
|
| De wintereitjes worden gelegd vanaf eind juli tot oktober-november. De ontluiking van de eitjes begint pas vanaf april en verloopt gespreid over een periode van enkele weken. De zespotige larven migreren na hun ontluiking naar de bladeren. Na een 4-tal weken (afhankelijk van de weersomstandigheden), waarbij de verschillende nimfenstadia doorlopen worden, is de fruitspintmijt volwassen. Vanaf nu worden de zomereitjes gelegd. Elk vrouwtje legt per dag één of meerdere eitjes en leeft ongeveer twee tot drie weken. Er komen 4-6 generaties per jaar voor die elkaar kunnen overlappen. De ontwikkeling van de fruitspintmijten hangt sterk af van het weer: hoe hoger de temperatuur, hoe sneller de ontwikkeling verloopt. Regenperiodes zijn ongunstig, vooral als ze gepaard gaan met veel wind. |
|
|
| |
| Chemisch bestrijding |
| De voorjaarsontluiking is het beste bestrijdingsmoment. Een behandeling met een ovi-larvicide bij de ontluiking van de wintereitjes is aangewezen. Later in het seizoen zijn gemengde populaties aanwezig (eitjes, larven en adulten) en dient men hiermee rekening te houden bij de bestrijding. |
| |
| Biologisch bestrijding |
| Roofmijten (o.a. Typhlodromus pyri) zijn van nature aanwezig op een heel aantal loofgewassen. Het aantal roofmijten kan nog verhoogd worden door uitzettingen. Hiervoor kunnen in de zomer (juli-augustus) scheuten genomen worden van oude appelbomen en in de waardplanten gehangen worden. Daar T. pyri ook alternatief voedsel eet zoals pollen, blijft deze vijand aanwezig in de bomen. Een duurzame bestrijding is dan mogelijk. |
|
 |
 |
| Waardplanten |
| Chaenomeles, Cotoneaster, Crataegus, Malus, Prunus, Pyrus, Ribes, Rubus, Sorbus, Vitis |
 |
| Panonychus ulmi is een zeer belangrijke parasiet in de fruitteelt. Deze spintmijt komt veel voor in de appelteelt, maar ook op andere fruit- en loofhoutgewassen (voornamelijk Rosaceae) kan ze aangetroffen worden. Ook in boomkwekerijen wordt deze parasiet regelmatig aangetroffen, o.a. op Malus, Pyrus, Sorbus, Prunus, Crataegus, Chaenomeles, Cotoneaster, Prunus, Rubus, Ribes en Vitis. |
|
|
 |
|