| Voordat het typisch grijze schimmelpluis zichtbaar wordt kan men bij naaldbomen soms een gele of bruine verkleuring van de naalden waarnemen. Jonge scheuten die aangetast zijn gaan verwelken en slap hangen. Na verloop van tijd worden deze scheuten bruin en verdrogen. Dit schadebeeld kan verward worden met vorstschade (scheuten die afgedood zijn door vorst kunnen nadien nog saprofytisch worden aangetast door Botrytis). Een infectie van de stam gaat gepaard met een roodachtige verkleuring en gezwollen of ingezonken plekken. Op loofgewassen kunnen er necrotische plekken ontstaan op de bovenzijde van de bladeren. Aangetaste weefsels hebben na verloop van tijd een verschroeid uitzicht. Het meest kenmerkende symptoom is het grijze schimmelpluis dat zich ontwikkelt op aangetaste delen (vandaar de naam grauwe schimmel). Dit grijze pluis bestaat uit conidioforen (sporendragers) met clusters van conidiën (sporen). Bij het verstoren van sterk sporulerend aangetast materiaal kan vaak een sporenwolkje opgemerkt worden. |
|
| Botrytis cinerea ontwikkelt zich vooral op jonge, weke plantendelen bij hoge luchtvochtigheid. Vandaar het veelvuldig voorkomen in stekbedden. Ook de teelt van grotere planten in serres, met een dichte gewasstand, hebben een verhoogd risico. Coniferen (in bosgoed of container) hebben vaak te lijden onder de aantasting tijdens natte en koele periodes. Doordat Botrytis in eerste instantie een saprofytische schimmel is, is een verwonding nodig om een gezonde plant te infecteren. Afgestorven bloemblaadjes, beschadiging van de plant door vorst, meststoffen of bestrijdingsmiddelen kunnen aanleiding geven tot infectie. De schimmel produceert een enorme hoeveelheid conidiën die verspreid worden via wind of water. Deze sporen kunnen enkel kiemen op dood weefsel ofwel via wondjes. Een relatieve vochtigheid van minstens 90 % gedurende minstens 12 uur is nodig voor het kiemen van de sporen. De schimmeldraden scheiden stoffen af die de verdere ontwikkeling van mycelium in het weefsel mogelijk maken. Het mycelium produceert conidioforen met clusters conidiën. Dit is zichtbaar in de vorm van grijs schimmelpluis. Groei van de schimmel is mogelijk bij temperaturen tussen - 3°C en 30°C, met een optimumtemperatuur van 18°C. De sporen worden gevormd bij temperaturen tussen 8 en 26°C. In uitzonderlijke omstandigheden worden scleroten gevormd. Dit zijn overlevingsstructuren die de schimmel toelaat om minder gunstige perioden te overbruggen. Dit komt in onze streken echter zelden voor. |
|
• Voldoende ventileren in serres. • Water geven in de ochtend, zodat de plant tijdig kan opdrogen. • Afgestorven en zieke plantendelen verwijderen, zeker tussen opeenvolgende teelten. • Dienen vermeden te worden: hoge plantdichtheden, hoge stikstofgiften, mechanische beschadigingen, beschadiging door meststoffen of bestrijdingsmiddelen, vorstschade • Bij het opslaan van zaailingen (bosgoed): zaailingen moeten droog zijn voor het opslaan, bij vriestemperaturen opslaan verdient de voorkeur indien mogelijk, laag zuurstofgehalte verhindert de ontwikkeling van de schimmel, vermijden van te dichte pakken • Bijzondere aandacht bij gewassen in bloei (onderdoor water geven). • Droogstoken. |
|
| Er kunnen heel wat specifieke middelen in combinatie met de beheersmaatregelen toegepast worden. Wegens vlugge resistentievorming is een deskundige afwisseling tussen de middelen een noodzaak. |
|
 |
 |
| Waardplanten |
| Aucuba, Azalea, Calluna, Ceanothus, Chamaecyparis, Cupressus, Erica, Euonymus, Fuchsia, Hedera, Hibiscus, Hydrangea, Lavendula, Mahonia, Photinia, Picea, Pseudotsuga, Rhododendron, Saxifraga, Tamarix |
 |
| Botrytis cinerea is een niet-waardplantspecifieke zwakteparasiet. Voornamelijk zachte plantenweefsels en verwonde plantendelen zijn vatbaar. In de boomkwekerij zijn de jonge scheuten van coniferen en gewassen in stek- of zaaibed dus zeer gevoelig. Voorbeelden van stekken waarvan de groeipunten vaak afsterven door Botrytris zijn Lavandula en Erica. |
|
|
 |
|