| Synoniem: | Cipresmineermot |
| Type: | Insect |
|
| |
| Ei |
| De eitjes zijn geel-, witachtig tot doorzichtig en zijn met het blote oog moeilijk waarneembaar. Ze worden door de wijfjes gelegd op de schubben van diverse coniferen. Bij voorkeur gebeurt dit op de jonge scheuten tussen de basis van de schub en de bovenste rand van de naastgelegen schub ofwel op de schubben zelf. |
| |
| Larve - Pop |
| De larven zijn groenachtig van kleur met een zwarte kop- en halsschild en groenbruine pootjes. In volwassen toestand zijn ze 5 tot 6 mm lang. De verpopping vindt plaats in een cocon. |
| |
| Adult |
| De vleugelspanwijdte van de mot is 7 tot 10 mm. De voorvleugels hebben een glanzende goudbruine kleur en drie typische witte dwarsbanden. De achtervleugels zijn donkergrijs tot lichtbruin. De volwassen vlinders vliegen vooral ’s nachts; overdag zie je ze weinig rondvliegen. |
|
| De pas ontloken larven boren zich in de schubben van vooral jonge conifeertwijgen. Ze vreten de twijgen van binnenuit op waardoor een mijngang ontstaat, die enkele mm tot 1 cm lang kan zijn. In een later stadium kunnen de rupsjes deze mijngang verlaten via een uitboorgaatje en naar een volgend twijgje kruipen. Ze kunnen zo 4 à 7 twijgjes aantasten. Door hun voedingsactiviteit verkleuren de schubben bruin. Aangevreten toppen verdrogen en na verloop van tijd verkleuren hele takken bruin. De toppen kunnen zodanig aangetast zijn dat de coniferen na enige jaren helemaal bruin worden. De aantasting kan zowel in kwekerij als in aanplanting voorkomen. De uitboorgaatjes van de rupsen kunnen gemakkelijk waargenomen worden. De aantasting kan verward worden met de schimmelziekte Didymascella die ook gaatjes in de schubben veroorzaakt. Bij een aantasting door de mineermot zullen, wanneer je een twijgje tussen de vingers rolt, zwarte uitwerpselen en bruingekleurd boormeel van de larven zichtbaar zijn. Andere mineerders in coniferen zoals A. thuiella en A. dilectella kunnen een zelfde schadebeeld veroorzaken. |
|
| De vlinders van de nieuwe generatie verschijnen doorgaans begin mei. Na de paring vindt de eileg plaats. De eitjes ontluiken na drie tot vier weken. Vanaf half juni zijn de eerste rupsjes waarneembaar; deze kruipen in de schubben van de waardplant waarin zij zich voeden. De bijna volwassen larven mineren de twijgjes en gaan vanaf half november overwinteren in de mijn. In maart/april vindt de verpopping plaats in een cocon onder de schorsschubben in de buurt van de mijngangen. De jeneverbesmineermot heeft één generatie per jaar. De vluchtperiode strekt zich uit van mei tot eind juni. |
|
| De aantasting komt vooral voor op jonge plantendelen. Door het wegsnoeien en vernietigen van de aangetaste scheuten worden de larven bestreden. Er wordt best in het najaar gesnoeid omdat de larven na de winter de mijnen verlaten. Zwaar aangetaste planten dienen behandeld te worden. Een bespuiting toepassen bij het ontluiken van de eitjes is het meest effectief. Dit is enige tijd nadat de motjes waargenomen worden. De vluchtperiode kan vastgesteld worden met behulp van feromoonvallen. Eenmaal de rupsjes in de twijgen zitten, zijn ze moeilijk of niet meer te bestrijden. |
|
 |
 |
| Waardplanten |
| Chamaecyparis, Cupressocyparis, Juniperus, Thuja |
 |
| Juniperus spp. (Juniperus virginiana 'Skyrocket' is zeer gevoelig en kan als indicatorplant fungeren), Thuja spp., Chamaecyparis spp. en Cupressocyparis x leylandii. Er is verschil in gevoeligheid tussen de soorten en variëteiten. |
|
|
 |
|